Spanje is het NAVO-land dat de afgelopen tien jaar het minst geld heeft uitgegeven aan defensie. Dat blijkt uit cijfers van de NAVO zelf. Terwijl veel landen hun militaire budgetten verhoogden, bleef Spanje lange tijd achter.
Sinds 2014 gaf Spanje gemiddeld tussen de 1 en 1,3 procent van het bruto binnenlands product uit aan defensie. Dat ligt duidelijk onder de afspraak die NAVO-landen in 2014 maakten. Zij beloofden om uiterlijk in 2024 minimaal 2 procent van hun economie aan defensie te besteden.
Andere landen zoals België, Luxemburg, Slovenië en Canada zaten ook jarenlang onder deze grens, maar Spanje stond vrijwel altijd onderaan de lijst. Landen als Italië en Portugal haalden het afgesproken percentage in 2024 eveneens niet.
Aan de andere kant zijn er NAVO-landen die juist veel meer uitgeven. Polen, Estland, de Verenigde Staten, Letland en Griekenland besteden inmiddels meer dan 3 procent van hun bbp aan defensie. Ook landen als het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Finland zitten ruim boven de 2 procent.
Pas begin 2025 wist Spanje uiteindelijk de NAVO-norm van 2 procent te halen. Daarmee kwam het land dus later dan afgesproken over de brug. De stijging heeft vooral te maken met toenemende internationale spanningen en de oorlog in Oekraïne, waardoor defensie hoger op de politieke agenda kwam te staan.
Volgens experts komt de lage defensie-uitgave door eerdere keuzes van Spaanse regeringen. Zij gaven jarenlang prioriteit aan sociale uitgaven en economisch herstel na de crisis, in plaats van aan het leger.
Tijdens een NAVO-top in 2025 werd zelfs gesproken over een nieuw doel van ongeveer 5 procent van het bbp in 2035. Spanje is daar terughoudend over en wil voorlopig rond de 2,1 procent blijven.


Español
English
Deutsch
Français
Português
Italiano