In Spanje is het weer tijd voor calçots, de lange en zachte uien die hun oorsprong hebben in Catalonië. Het seizoen loopt grofweg van november tot april, maar vooral in de wintermaanden zijn ze op hun best. In steeds meer regio’s duiken ze op in restaurants, op markten en tijdens speciale eetfestijnen.
Calçots lijken op lente-uitjes, maar worden op een bijzondere manier geteeld. Tijdens het groeien wordt er steeds aarde tegen de steel aangebracht, waardoor de ui langer en zachter blijft. Dat zorgt voor de typische milde en lichtzoete smaak waar zoveel mensen dol op zijn.
Het eten van calçots is meer dan alleen een maaltijd. Traditioneel worden ze gegrild op een open vuur, vaak met hout van wijnranken. De buitenkant verbrandt bijna helemaal, maar van binnen blijft de ui zacht en sappig. Na het grillen worden ze in (kranten)papier gewikkeld om warm te blijven tot ze op tafel komen.
Een calçot eet je met de handen. Je pelt de zwarte buitenlaag eraf, doopt de ui in romesco- of salvitxada-saus en laat hem zo in je mond glijden. Omdat dit nogal kan knoeien, dragen veel mensen een slabbetje. Dat hoort er gewoon bij en zorgt vaak voor veel gelach aan tafel.
Wat ooit begon als een lokale traditie rond de Catalaanse stad Valls, is inmiddels uitgegroeid tot een populair wintergebruik in heel Spanje. Ook buiten Catalonië organiseren restaurants complete calçotada-menu’s, vaak met gegrild vlees, botifarra-worst en brood met tomaat als vervolg.
Calçots staan symbool voor samen eten, buiten zijn en genieten van eenvoud. Het draait niet om netjes eten, maar om gezelligheid, smaak en tijd doorbrengen met vrienden en familie. Precies daarom worden deze uien elk jaar populairder.
